Vraag en antwoord: Positieflijst

Er zijn verschillende manieren om ervoor te zorgen dat de handel in en het houden van exotische huisdieren niet uit de hand loopt. Met zo’n 50 jaar ervaring uit de eerste hand is AAP ervan overtuigd dat een Positieflijst de meest effectieve, efficiënte, transparante en economisch haalbare manier is.

Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft de afgelopen jaren gewerkt aan een compleet nieuwe Positieflijst met huisdieren die veilig en geschikt zijn om te houden. Eerdere pogingen om zo’n lijst in te voeren mislukten omdat de manier waarop diersoorten waren beoordeeld niet voldoende onderbouwd was. Met de nieuwe Positieflijst, die het ministerie eind 2021 verwacht te presenteren, sluit Nederland zich eindelijk aan bij België, Luxemburg, Kroatië, Malta en Litouwen. Deze Q&A beantwoordt de meest gestelde vragen van het publiek over deze lijst.

We hebben de lijst opgedeeld in drie segmenten:
  • 1 WAT: wat is een Positieflijst?
  • 2 MAAR: veelgestelde kritische vragen beantwoord
  • 3 HOE: hoe het in de praktijk werkt

Wat is een Positieflijst?

Deze Positieflijst is een lijst van diersoorten die (door onafhankelijke deskundigen) veilig en geschikt zijn bevonden om als huis- of hobbydier te houden. De lijst is gebaseerd op een uitgebreide risicobeoordeling die rekening houdt met de gezondheid en het welzijn van dieren, de volksgezondheid, veiligheid en/of het behoud van biodiversiteit. Alle diersoorten die niet op de lijst staan, mogen daarom niet door particuliere eigenaren worden verhandeld of als huisdier worden gehouden. Tenzij er een ontheffing is afgegeven uiteraard.

Er zijn vier hoofdredenen om een Positieflijst in te voeren: 1) dierenwelzijn. Niet-gedomesticeerde, exotische diersoorten hebben complexe behoeften. Daardoor is het voor de gemiddelde eigenaar erg moeilijk, zo niet onmogelijk, om de gespecialiseerde zorg te bieden. Denk aan voeding, behuizing, ondergrond, verrijking, contact met soortgenoten etc.
2) Openbare veiligheid, om zowel het publiek als eigenaren van exotische dieren te beschermen. 3) Risico’s op zoonoses, ofwel ziektes die van dier op mens (of andersom) kunnen overspringen. 4) Biodiversiteit. Als exotische dieren ontsnappen of worden vrijgelaten, kunnen ze lokale ecosystemen verstoren en invasief / schadelijk worden voor de lokale natuur. Ook zijn er voor het fokken met sommige diersoorten nieuwe exemplaren uit het wild nodig, wat hun populatie in het wild in gevaar brengt.

De problemen rondom exotisch huisdierenbezit in Nederland zijn divers:

  • Exotische huisdieren ontsnappen regelmatig of worden gedumpt (voorbeelden hier en hier)
  • Eigenaren staan hun dier af aan opvangcentra nadat ze zich realiseren dat het toch niet als huisdier gehouden kan worden, ongelukkig is en/of voor problemen zorgt.
  • Opvangcentra krijgen veel meer opvangverzoeken dan de capaciteit toelaat, met meer dieren van steeds diversere soorten.
  • Exotische wilde huisdieren die, wanneer ze groter en ouder worden, hun eigenaren en anderen kunnen verwonden.
  • Introductie van nieuwe, invasieve uitheemse soorten in het milieu (bijv. wasberen).
  • Het fokken met exotische dieren voor de huisdierenhandel is toegestaan, wat gevolgen kan hebben voor dieren die uit het wild worden gehaald voor de illegale handel.

Kritische vragen beantwoord

  1. Een negatieflijst is of wordt snel ingewikkeld en onduidelijk. Er zijn naar schatting 5.488 zoogdiersoorten, dus het is veel effectiever om een kortere lijst met toegestane soorten te hebben dan een enorme lijst met verboden soorten.
  2. Negatieflijsten richten zich meestal op één bepaald type risico (bijv. invasiviteit of mate van uitsterven). Dat betekent dat er meerdere negatieflijsten kunnen zijn wat verwarrend is voor eigenaren, het publiek en controleurs / handhavers.
  3. Een negatieflijst is een reactief instrument dat voortdurend moet worden bijgewerkt in een traag en kostbaar bureaucratisch proces. Bijvoorbeeld als nieuwe (of hybride) diersoorten gesignaleerd worden als huisdier, als een diersoort een bedreigde status krijgt of wanneer zich iets voordoet met een soort wat de gezondheid van mens en dier bedreigt.
  4. Een lange negatieflijst vereist dat handhavers niet alleen honderden specifieke diersoorten (inclusief mogelijke kruisingen) kunnen identificeren, maar ook hun welzijn moeten kunnen beoordelen.
AAP is van mening dat de conservatie van diersoorten buiten hun eigen leefomgeving erg belangrijk is. Dit is een verantwoordelijkheid van gespecialiseerde dierentuinen en reservaten over de hele wereld. Soortenbescherming zou geen taak moeten zijn voor individuele fokkers en houders. Het privé houden van wilde, niet-gedomesticeerde soorten maakt de dieren en hun nakomelingen ongeschikt om uitgezet te worden in het wild. Wetenschappelijke onderzoek wijst uit dat het bezit van exotische huisdieren ook niet bijdraagt aan het behoud van soorten. Integendeel, het is een bedreiging, zowel in hun natuurlijke omgeving als daarbuiten.

De levensverwachting van dieren in gevangenschap kan voor sommige soorten inderdaad langer zijn. Maar het tegenovergestelde is ook waar. Het houden van exotische soorten kan leiden tot ernstige gezondheidsproblemen en vroegtijdige sterfte. Een Brits onderzoek heeft bijvoorbeeld aangetoond dat de meeste reptielen, die afhankelijk van de soort 8 tot 120 jaar worden in het wild, binnen een jaar sterven in huis. Maar zelfs als bepaalde soorten in gevangenschap langer leven, zegt levensduur niet alles over dierenwelzijn. De kwaliteit van leven is een belangrijkere factor.

De gemiddelde levensduur van een diersoort kan ook korter zijn als je kijkt naar het sterftecijfer tijdens transport en verkoop. Dit artikel laat een sterftecijfer van 72% zien voor amfibieën, reptielen en zoogdieren na slechts zes weken in de handel. Ook als een gehouden dier de eigenaar overleeft, of als de eigenaar in het ziekenhuis beland en niet in staat is om voor zijn huisdier te zorgen, kan het dier de nodige zorg worden onthouden.

Wetenschappers hebben berekend dat 60-75% van de bekende infectieziekten zoönosen (overdraagbaar van dier op mens) zijn en dat de meesten afkomstig zijn van wilde dieren. De bekendste zoönosen kunnen worden overgedragen door zoogdieren, met name primaten, vleermuizen en knaagdieren. Veel van deze diersoorten worden in de meeste EU-landen legaal als huisdier gehouden. Eerder onderzoek heeft 70 verschillende zoönotische ziekten gevonden die gerelateerd zijn aan exotische huisdieren in de EU. De risico’s zijn groter bij niet-gedomesticeerde, exotische huisdieren dan bij gedomesticeerde huisdieren. Lees meer in ons rapport ‘Zoonotic threats: Under their skin’.

Uit eigen onderzoek bleek dat exotische dieren die tussen 2015 en 2019 bij AAP werden opgevangen vatbaar waren voor meer dan 120 verschillende virussen, bacteriën en parasieten. Stuk voor stuk gevaarlijk en mogelijk dodelijk voor de mens. 1 op de 7 exotische huisdieren die in de afgelopen 5 jaar door AAP zijn gered, had ten minste één zoönose. De meeste ziekteverwekkers die deze zoönosen veroorzaken, kunnen ook op andere dieren worden overgedragen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij hondsdolheid, tuberculose, leptospirose, maar ook bij Q-koorts en brucellose.

Behalve bekende zoönosen is er een gebrek aan onderzoek naar en kennis van zoönosen bij wilde dieren. Er wordt aangenomen dat er naar schatting nog 1,7 miljoen onontdekte virussen voorkomen onder zoogdieren en vogels. Hiervan zouden 631.000 – 827.000 mensen kunnen infecteren (IPBES Pandemics Workshop Report). Een nog groter probleem is dat exotische dieren potentieel gevaarlijke ziektes kunnen dragen zonder dat dit zichtbaar is. Dit is een overlevingsmechanisme voor wilde dieren, maar kan eigenaren laten denken dat het dier gezond is.

Dit klinkt misschien als een goed alternatief, maar dat is het niet. Ten eerste hebben veel landen die met dergelijke eisen werken nog steeds ernstige problemen vanwege exotisch huisdierenbezit. Het aantal ongeschikte huisdieren dat werd gehouden nam niet per definitie af. Ten tweede: de vereisten voor het houden van dieren moeten worden gecontroleerd en veel landen hebben onvoldoende middelen en handhavingscapaciteit voor dierenwelzijn. Ook is er geen politieke bereidheid om dit te verhogen. Burgers kunnen niet helpen met toezicht zonder diepgaande kennis van soortspecifieke vereisten. Bovendien zullen de vereisten niet voorkomen dat zoönotische ziekten van dier naar houder springen of andersom. En blijven de risico’s voor de biodiversiteit bestaan wanneer soorten uit het wild worden gehaald en/of wanneer dieren worden vrijgelaten of ontsnappen in lokale ecosystemen. Voor veel soorten, met name voor niet-gedomesticeerde wilde dieren die niet gewend zijn om in de buurt van mensen te leven, zal het privé houden onvermijdelijk hun welzijn aantasten.
Het houden van gedomesticeerde huisdieren zoals katten, honden en konijnen is inderdaad ook niet zonder risico. Of deze risico’s zo zwaar wegen dat de soort niet door iedereen gehouden kan worden, is uiteindelijk aan de betrokken overheid. Toch ligt het voor de hand dat de risico’s bij gedomesticeerde dieren minder groot zijn dan bij exotische, niet-gedomesticeerde soorten. De hond zou op basis van wetenschappelijke literatuur als een laag risico dier kunnen worden gezien. Landen kunnen dan aanvullende maatregelen nemen om risico’s van bijvoorbeeld bijtincidenten te voorkomen. Hetzelfde geldt voor de huiskat. De gedomesticeerde kat wordt beschouwd als een ondersoort van de wilde kat. We raden autoriteiten aan om soorten te beoordelen op taxonomieniveau van ondersoorten, dus de huiskat wordt dan apart beoordeeld.
De overgrote meerderheid van de exotische diersoorten staat niet vermeld in de bijlagen van de Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora (CITES). CITES kijkt naar de handel in bedreigde diersoorten vanuit duurzaamheid en soortenbehoud. Veel van de soorten die verhandeld worden zijn (nog) niet bedreigd en vallen daarom niet onder het verdrag. Bovendien maken factoren als dierenwelzijn, volksgezondheid en veiligheid of invasiviteit geen deel uit van CITES. Hoewel CITES de internationale handel in wilde dieren reguleert op basis van conservatiestatus van soorten, hanteren maar een paar landen strenge veterinaire invoercontroles. Ook zijn er geen wereldwijde voorschriften voor het controleren op ziektes binnen de internationale handel in wilde dieren.
Er is geen enkel bewijs dat dit zou gebeuren. De ervaringen in België, waar de Positieflijst in 2001 voor het eerst werd ingevoerd, laten zien dat de invoering van de Positieflijst niet heeft geleid tot een groei van de illegale handel. Na analyse van handelssites, rapporten van inbeslagnames en opvangcentra onthulde het Eurogroup for Animals-rapport ‘Implementation of the Positive List for mammal pets in Belgium – A success story’ dat er tussen 2009 en 2014 in België slechts 22 illegaal gehouden dieren in beslaggenomen waren (van in totaal 92 dieren). De Positieflijst leidde dus niet tot meer illegale activiteiten. De ervaringen in België geven ook aan dat de handhaving tegen illegale activiteiten juist eenvoudiger is geworden. Burgers weten nu welke soorten zijn toegestaan kunnen makkelijker het houden van verboden soorten aan de autoriteiten melden.
In België, waar de Positieflijst het langst bestaat, ging dat niet zo. Zo werden er tussen 2006 en 2020 slechts 30 aanvragen ingediend bij de Vlaamse overheid voor diersoorten die niet op de Positieflijst staan. Het merendeel van die verzoeken kreeg een negatieve beoordeling.

Hoe het in de praktijk werkt

Ja, dat kan en komt in de praktijk vaak voor. Zo verbiedt Europese verordening 1143 inzake invasieve uitheemse soorten (IAS) in Artikel 7 de aankoop en het privébezit van sommige invasieve diersoorten (na een vastgestelde datum). Dit is het een negatieflijst. Deze invasieve uitheemse soorten zijn daarom al verboden om te houden of te verhandelen en kunnen dus nooit op de Positieflijst terechtkomen. De diersoorten op bestaande negatieflijsten voor privébezit hoeven dus niet te worden beoordeeld voor de Positieflijst, wat weer werk scheelt.

De risico’s van huisdieren kunnen worden gerelateerd aan 1) criteria voor diergezondheid en dierenwelzijn; 2) criteria voor volksgezondheid en veiligheid; en 3) criteria voor het behoud en de biodiversiteit van soorten.

Eerst moet bepaald worden wat een hoog, een middelmatig of een laag risico is. In Nederland is het nieuwste beoordelingskader gebaseerd op de dierenwelzijnsnormen, gecombineerd met de bedreiging voor de gezondheid van mens en dier in een huisdiersituatie. De Nederlandse overheid richt zich daarbij op (wetenschappelijk aantoonbare) biologische en gedragskenmerken.

Als voorbeelden van relatief eenvoudige beoordelingscriteria zijn dit de criteria in België:
1. of soorten al dan niet gemakkelijk te houden en te huisvesten zijn, rekening houdend met hun fysieke, ethologische en ecologische behoeften;
2. de mate waarin een diersoort van nature agressief en/of gevaarlijk is of een ander gevaar vormt voor de menselijke gezondheid;
3. of er duidelijke aanwijzingen zijn dat de soort in de natuur kan overleven wanneer ze uit gevangenschap ontsnappen en daarmee een ecologische bedreiging vormen;
4. de beschikbaarheid van literatuur over het houden van de soort;
5. bij tegenstrijdige informatie wordt dat gezien als risico en wordt de soort negatief beoordeeld.

Over de weging van criteria: In Nederland worden de risico’s voor de mens in de beoordeling waarschijnlijk extra meegewogen. Dus wanneer een dier hoog scoort op zoonoses of ernstig letsel kan veroorzaken, zou deze automatisch niet op de Positieflijst komen. In België is dat verschil niet gemaakt.

Nee, in België niet. Alleen de beoordelingscriteria en de daaruit ontstane Positieflijst zijn gepubliceerd. Hetzelfde geldt voor andere landen met een Positieflijst, zoals Luxemburg, Cyprus en Litouwen. In Nederland zullen de soortenbeoordelingen waarschijnlijk wel worden gepubliceerd of op verzoek beschikbaar gesteld.
Van veel diersoorten bestaan wetenschappelijke publicaties over hun natuurlijke behoeften. Maar literatuur die aangeeft dat je niet (of deels) in die behoeften kunt voorzien als je het dier als huisdier houdt, is moeilijker te vinden. Of de experts die de beoordeling doen in staat zijn om betrouwbare wetenschappelijke gegevens te vinden hangt sterk af van de gekozen beoordelingscriteria. Bij onvoldoende of onduidelijke gegevens kun je kiezen voor een ‘nee, tenzij’-aanpak. Net als in het vijfde criterium van de Belgische lijst: bij tegenstrijdige informatie krijgt het dier het voordeel van de twijfel en komt de soort niet op de Positieflijst.
Opvangcentra voor exotische dieren hebben meestal een vergunning als opvangcentrum en/of een dierentuinvergunning. Dit omdat ze inbeslaggenomen of ingeleverde dieren noodzakelijke zorg bieden. Dit is een andere vergunning dan die aan een gespecialiseerde houder kan worden verleend. Het is aan de overheid om zo’n vrijstellingsregeling op te zetten, waarbij men bepaalde soorten met een hoger risico mag houden die niet voor iedereen geschikt zijn. Mits de houder kan aantonen over de nodige kennis en de juiste faciliteiten te beschikken om voor deze soorten te zorgen.
De markt is beperkt tot de soorten die op de Positieflijst staan, maar is niet ingestort. De handelaren moesten het aantal verhandelde soorten beperken, niet het aantal dieren. Het is niet bekend of de handel in toegestane diersoorten is toegenomen. Uit openbare gegevens van de European Pet Food Industry (FEDIAF) blijkt dat het aantal huiskatten in België tussen 2010 en 2019 met 200.000 is gestegen (van 1,8 miljoen naar 2 miljoen). Het aantal privé gehouden honden in België bleef in deze periode stabiel (met 1,3 miljoen). (Bronnen: FEDIAF Feiten en Cijfers 2010 en 2019)
Uit gegevens van de Belgische overheid blijkt dat er gemiddeld slechts 4 inbeslagnames per jaar zijn. Tussen 2009 en 2014 heeft België in totaal 22 inbeslagnames van zoogdieren geregistreerd, wat in totaal 92 dieren betrof.

De mogelijkheid om een verzoek te doen om een bepaalde soort toe te voegen (of juist te verwijderen) van de Positieflijst is een vereiste vanuit EU-wetgeving. Deze mogelijkheid moet worden vastgelegd in de wet of een verordening. Ook moet die beoordeling binnen een redelijke termijn plaatsvinden en je moet bij de rechtbank in beroep kunnen gaan tegen de beslissing. Het hangt per land af hoe deze procedure is ingericht.

In België kan iedereen vragen om een soort toe te voegen aan of te schrappen van de Positieflijst. Ze rekenen een vergoeding van 60 EUR per verzoek om alleen serieuze verzoeken te krijgen. Een verzoek moet onderbouwd zijn met voldoende objectieve wetenschappelijke gegevens waaruit blijkt dat de betreffende soort geschikt is om door een leek als huisdier te worden gehouden. De minister beslist binnen zes maanden over het verzoek. In Nederland wordt een vergelijkbare procedure verwacht.