Hangjongere

Daar hing ze, boven mijn hoofd, aan het gaas van de kooi. Ze sliep niet, wat ze als nachtdier behoorde te doen, maar keek me met gereserveerde belangstelling aan – niet echt nieuwsgierig, maar beslist ook niet bang. Om oogcontact te vermijden en haar toch te kunnen bekijken, vestigde ik mijn blik op haar maatje, dat ze innig vasthield. Met zijn witte vacht en bolle kraaloogjes leek hij niet veel op haar, maar met enige moeite kon je in zijn snoet wel een hond herkennen.

Vleerhond SelketSelket maakte een minder tragische indruk dan ik op grond van haar voorgeschiedenis verwachtte. Op voorhand had ik diep medelijden gevoeld met de jonge palmvleerhond die als zuigeling bij haar moeder was weggehaald en een menselijke opvoeding had gekregen. Vleermuizen zijn nachtelijke vliegers, van nature schuw; bovendien bij uitstek groepsdieren, die overdag in trossen hangend slapen en ’s nachts in zwermen uitvliegen om eten te zoeken. In alle opzichten was het dus voor Selket tegennatuurlijk geweest om te leren op menselijke tijden wakker te zijn, op een menselijke arm te gaan zitten en zich te laten voeren. Haast nog schrijnender was het dat ze deze gewoonten in onze quarantaine wilde voortzetten, ze wist immers niet anders… En voor de verzorgers in de quarantaine was het hartverscheurend om haar, voor haar bestwil, van zich af te duwen. Maar gelukkig bleek Selket een snelle leerling in het terugvinden van natuurlijk gedrag. Bij haar komst op de Zoogdierafdeling vroeg ze al niet meer om menselijke aandacht. Alleen haar hondje, haar witte pluchen metgezel waar ze zich letterlijk aan vastklampte, verried hoe eenzaam ze was.

Van meet af aan voelde ik me aangetrokken tot dit bijzondere dier. We hadden wel eerder vleerhonden gehad – een hele kolonie Nijlroesetten – maar die waren veel kleiner en bleven door hun aantal anoniem. Daarentegen had Selket, met haar formaat van een klauwaapje, een eigen gezicht. En wat voor één! Een markante hondenkop in miniatuuruitvoering. Haar donkere snuit had wel iets weg van een Mechelse herder, maar was stomper. Haar enorme, amberkleurige nachtdierogen deden me denken aan het sprookje van Andersen over de tondeldoos, waarin een soldaat een hond ziet met ogen als theeschoteltjes. Haar vleugels spanden de kroon: tijdens het maken van haar toilet vouwde ze ze deel voor deel uit en likte ze langzaam, met een soort welbehagen, schoon. Ze ging zo in deze bezigheid op dat ik haar rustig kon gadeslaan en elke keer weer was ik gefascineerd door die prachtige halfdoorzichtige vlieghuid, fijntjes als een Japans kamerscherm. Het manicuren van de klauwtjes vormde het slotakkoord, waarna ze zich invouwde en ging slapen.

Natuurlijk hadden we de speciale vleerhondenslaapplaats (een hangende kist met aan de binnenkant uitsteeksels, en een taps toelopende onderkant voor extra duisternis) direct voor Selket opgehangen. Onze roezetten hadden de bedoeling meteen begrepen en waren er massaal in gaan hangen. Helaas miste Selket dit instinctieve begrip en negeerde ze het ding lange tijd. Tot haar onderzoeksdrang het eindelijk won, met het door ons gewenste resultaat: ze liet ze haar hondenknuffel in de steek en nam haar intrek in de kist. ‘Selket wordt volwassen,’ noteerden we trots in het overdrachtsschrift. ‘Ze heeft geen speelgoed meer nodig.’

Toch betekende deze overwinning nog niet dat Selket zelfstandig was. Een vleerhond die niet vliegt kan immers niet voor zichzelf zorgen. Fysiek zou ze het kunnen – medische checks hadden geen afwijking aan haar vleugels uitgewezen - maar zonder moeder die haar had leren vliegen, bleef haar potentie ongebruikt. We deden er alles aan om haar tot vliegen te verleiden, bijvoorbeeld door haar lievelingsvoedsel (mango en kakifruit) aan touwtjes in het verblijf te hangen, maar de klautervaardigheid die Selket had ontwikkeld, stelde haar in staat om zich langs het dunste draadje naar beneden te laten zakken. We moesten overgaan tot een kwaadschikse aanpak. Alle voorwerpen waaraan Selket zich zou kunnen vasthouden werden uit haar verblijf verwijderd. Zonder pardon werd ze uit haar kist geplukt en in de lucht gegooid… En ja, in blinde paniek sloeg Selket haar vleugels uit en vlóóg! Wel een hele meter, voor ze het vertrouwde gaas weer kon grijpen.

Na deze testvlucht concludeerden we dat Selket herplaatsbaar was. Hoe eerder hoe liever, want zolang ze bij ons was zou ze haar vliegspieren niet oefenen, terwijl ze nu nog jong genoeg was om ze te ontwikkelen. Ze had alleen een voorbeeld nodig. Het Duitse park Hellabrunn wilde Selket wel aan hun groep palmvleerhonden toevoegen en intussen heeft de groep haar in hun midden opgenomen. Hopelijk hangt en vliegt ze nog lang en gelukkig met haar soortgenoten.

Christine Kraft, tekstschrijfster en dierverzorger zoogdierafdeling

Stem op Selket in de Leukste-dier-verkiezing van AAP!

 

Deze website maakt gebruik van cookies. Lees meer over ons cookiebeleid